Situatiegelijkheid

Op 29 augustus 2018 schreef Alwin Hietbrink in de Volkskrant het opiniestuk 'Onderwijs op maat slaat door: ‘Niet ieder kind is toegerust om zijn eigen leerweg uit te stippelen’'. Hieronder leest u de reactie van Ariëlle de Ruiijter, directeur-bestuurder Samenwerkingsverband voortgezet onderwijs Amsterdam-Diemen.

“Onderwijs op maat slaat door”, schrijft Alwin Hietbrink, rector van het Barlaeus Gymnasium, in de Volkskrant van 30 augustus. Hij is verontrust over de gevolgen van de individualisering van het onderwijs waarbij ieder kind zijn eigen leerweg moet uitstippelen, en steunt de waarschuwing dat maatwerk de ongelijkheid tussen leerlingen weleens zou kunnen vergroten. Hietbrinks analyse is vooral een warm pleidooi voor de herwaardering van de school als gemeenschap. Leerlingen zitten op school om zich te ontwikkelen en dat kan alleen door te interacteren met de gemeenschap waar ze lid van zijn.

Met zijn alarm uit de onderwijspraktijk staat Hietbrink niet alleen. In het meinummer van het Tijdschrift Jeugdbeleid haalde ik een aantal pedagogen en onderwijskundigen aan die vanuit hun disciplines precies hetzelfde betogen en eveneens een onderbouwing leveren voor de exclusieve kracht van het onderwijs om jonge mensen in een gelijke situatie te brengen (Van den Broeck, 2014). Naar school gaan als een bij uitstek ongedifferentieerde activiteit, gericht op de leerstof: iedereen in dezelfde groep, bezig met hetzelfde leerdoel. Grootschalig en langlopend Vlaams onderzoek (het PISA- en TIMSS-onderzoek) wijst uit dat deze, klassieke vorm van groepsordening voor alle leerlingen effectief uitpakt, maar juist voor degenen met historisch de minste kansen – lage opleiding van de ouders, lage sociaaleconomische status, taalachterstand, enzovoort – is deze ‘configuratie’ gunstig. Blijkbaar trekken ze zich op aan de andere leerlingen, het niveauverschil wordt overbrugbaar.

Vergeet ‘kansengelijkheid’

Vanaf omstreeks 2005 volgen we in Nederland het integratie-ideaal: wat regulier kan moet regulier. Daar (in het reguliere onderwijs dus) moet de leerlingongelijkheid dan maar worden opgelost. Bij voorkeur met een ‘system of equal opportunity’, zeggen sommige wetenschappers kortweg. Diezelfde wetenschap onderbouwt trouwens nergens hoe dit uitdelen van gelijke kansen eigenlijk moet werken. We weten het niet. Maar vooruitlopend op het moment dat die verlossende kennis op ons neerdaalt, gaan we het wel alvast doen… We hebben ‘gelijke kansen’ alvast in woorden geïnstitutionaliseerd tot het politieke begrip Kansengelijkheid: ‘a system of…’, zou je eraan kunnen toevoegen. Baseren we onze hele differentiatiestrategie nu op iets wat niet bestaat en hoogstwaarschijnlijk nooit zal bestaan: gelijke kansen? Ik zou het meer dan toejuichen als iedereen meebouwt aan een maatschappelijke grondslag voor gelijke kansen; leuk zo’n utopie als punt op de horizon maar in het onderwijs hebben we onveranderlijk te maken met leerlingen die géén gelijke kansen hebben. Vergeet het systeem van kansengelijkheid.

Onderwijs sluit niet aan

Je vraagt je af waarom differentiëren in het onderwijs nog altijd zo halsstarrig navolging krijgt. Al in de onderwijskunde van de jaren zeventig wordt betoogd dat het onderwijs is gekaapt door de middenklasse en dat dit de plek was waar maatschappelijke ongelijkheid – kansenongelijkheid – wordt versterkt. Hans-Günter Rolff betoogt in zijn standaardwerk (1976) dat het onderwijs nu eenmaal niet aansluit bij leerlingen die worden opgevoed door ouders met een ‘praktische opleiding’ (of geen opleiding), geen of gebrekkige standaardtaal, geen of gebrekkige literatuur, niemand in de wijk om zich aan op te trekken, enzovoort. Zij worden automatisch ingedeeld in de categorie ‘lager op te leiden’. En daarmee is de segregatie weer een generatie langer bestendigd.

Equity: ongelijke verdeling

Of kunnen we ongelijke kansen toch ‘rechttrekken’ zoals de Amerikaanse auteurs Braveman en Gruskin – wetenschappers uit de zorgsector – voorstellen? Zij bepleiten een ongelijke verdeling van hulpbronnen – minder ondersteuning voor wie minder nodig heeft en meer voor wie niet zonder kan. Kunnen en durven differentiëren naar vermogen: dat zou rechtdoen aan ieders potentieel, met als gewenste uitkomst dat het ‘gewenste resultaat’ voor iedereen bereikbaar wordt. In Nederland doen we eigenlijk al jaren pogingen om deze compensatievariant te laten werken, met de spreekwoordelijke rugzakjes bijvoorbeeld, en tegenwoordig door samenwerking aan extra ondersteuning voor leerlingen die dat nodig zouden hebben. Of dit zogenoemde equity-systeem in het onderwijs kan werken, of dat het de ongelijkheid zou verminderen is nog nooit aangetoond. De Leidse professor Eddie Denessen gaf zijn lezing tijdens het Schoolpsychologencongres, dit voorjaar, de titel: ‘Differentiatie in het onderwijs vergroot kansenongelijkheid’. Hij legt zijn vinger op de zere plek door te zeggen dat “het onrechtvaardig en onwenselijk is als kinderen met gelijke aanleg verschillende mogelijkheden hebben op een succesvolle schoolcarrière vanwege de achtergrondkenmerken van het gezin.” Denessen ziet grote risico’s – zoals stigmatisering –in zogenoemde ‘niveaudifferentiatie’ en ondersteunt het pleidooi voor brede brugklassen en heterogene groepen.

Kortom, differentiëren en krampachtig blijven streven naar het onmogelijke doel van ‘kansengelijkheid’ is niet de beste oplossing voor ons ‘passend onderwijs’. Onderzoekers, pedagogen en onderwijskundigen bevestigen de praktijkanalyse van Alwin Hietbrink: de oude vertrouwde, klassikale aanpak met heterogene groepen in een schoolgemeenschap was zo gek nog niet. Deze situatiegelijkheid pakt uit als de manier waarop de sociale ongelijkheid zo klein mogelijk blijft, en als het model waarin de zwakste leerlingen het beste floreren. Wetenschappelijk onderbouwd.

Reacties