Hoogbegaafdheid: wat gebeurt er als je een cheeta opsluit?

Van hoogbegaafde leerlingen denken we vaak dat ze zich wel redden in het onderwijs. Vaak is dat onterecht: zonder extra ondersteuning lopen veel hoogbegaafde leerlingen vast of gaan ze onderpresteren. Om dat probleem op de agenda te zetten, organiseerden de Amsterdamse samenwerkingsverbanden PO en VO een themabijeenkomst.

Het is druk in de dependance van het Mundus College, op woensdagmiddag 25 november. Zo’n 70 deelnemers uit het PO, VO en speciaal onderwijs hebben zich verzameld om met elkaar van gedachten te wisselen over hoogbegaafdheid. Ervaringsdeskundige Tijl Koenderink, oprichter van Novilo en Feniks, geeft een inleiding op het onderwerp. Hij spreekt over verschillende typen hoogbegaafden en wat voor ondersteuning deze leerlingen nodig hebben. Daarbij gebruikt hij de metafoor van een cheeta: dat dier kan 110 kilometer per uur, maar als je hem opsluit of het hem te gemakkelijk maakt, raakt hij helemaal uit vorm. Zo is het ook met hoogbegaafde leerlingen, stelt Koenderink: ze zijn tot veel in staat, maar als ze zich steeds aan een lager tempo moeten aanpassen worden ze niet genoeg uitgedaagd. Met alle onwenselijke gevolgen van dien: demotivatie, onderpresteren, afstromen en schooluitval.

Hoe kunnen we hoogbegaafden de ondersteuning bieden die ze nodig hebben? Op sommige scholen zie je dat er al veel wordt gedaan, vertelt Koenderink, maar vaak is dat op individueel niveau en is het een klein deel van het team dat zich ervoor inzet. Koenderink pleit voor zo veel mogelijk ondersteuning in de klas, aangevuld met een regionaal netwerk van plusklassen. En waar nodig voltijds plekken in regulier en speciaal onderwijs, voor de leerlingen die niet voldoende ondersteuning in reguliere scholen kunnen ontvangen.

Onderwijs op maat
Vervolgens gaan de deelnemers met elkaar in gesprek over hoe we de signalering en ondersteuning van hoogbegaafden kunnen organiseren. Uit de gesprekken blijkt dat scholen op uiteenlopende manieren omgaan met hoogbegaafdheid: de ene school heeft een plusklas, een tweede organiseert extra verdieping en activiteiten, en weer een andere school  neemt bij alle brugklassers een NIO-test af om hoogbegaafdheid te kunnen signaleren. Voor vroege signalering is een goede aansluiting tussen PO en VO van belang, daar zijn de deelnemers het over eens. De leerkracht in het basisonderwijs weet immers heel veel over de ondersteuningsbehoefte van zijn of haar leerlingen.  

De tweede spreker is Wanda Glebbeek, moeder van drie hoogbegaafde kinderen. Haar verhaal over de obstakels waar ze als ouder mee te maken heeft, maakt indruk. Zo vertelt ze over haar oudste zoon, die in het basisonderwijs jarenlang onder zijn niveau werkte, op het vwo volledig vastliep en inmiddels alweer een paar jaar thuis zit. ‘We denken in het onderwijs te veel vanuit hoe het gemiddelde kind leert. Als je probeert een vierkant blokje in een rond gaatje te stoppen, raakt het vierkantje beschadigd. Zorg voor meer onderwijs op maat, zodat ook hoogbegaafde leerlingen er hun weg in kunnen vinden.’ De relatie met de school is soms ingewikkeld, vertelt Glebbeek: ‘Soms voelen leraren zich aangetast in hun professionaliteit als je als ouder zegt dat het niet goed gaat. Het is een dun lijntje waar je over loopt: aan de ene kant heb je alle begrip voor die leerkracht die dertig leerlingen in de klas heeft, maar andere kant wil je het beste voor je kind. Ik denk dat het belangrijk is dat ouders en leraren kijken wat ze samen kunnen bereiken, allebei vanuit hun eigen kennis.’

Sluipend gevaar
Wat is er volgens Glebbeek nog meer nodig? ‘Meer begeleiding bij het leren leren; veel hoogbegaafden hebben moeite met bijvoorbeeld automatiseren, ook al weten ze dat vaak goed te verbloemen. Mijn zoon kon bijvoorbeeld de tafels van vermenigvuldiging niet uit zijn hoofd leren, maar kwam daar op de basisschool mee weg doordat hij snel kon rekenen. Maar in het VO red je het daar niet meer mee.’ Daarnaast wordt hoogbegaafdheid vaak niet of te laat gesignaleerd, zegt Glebbeek. ‘Leerlingen die relatief onderpresteren werken onder hun kunnen, maar halen geen onvoldoendes. De school kan dan denken: het gaat toch goed? Dat is een sluipend gevaar.’

Vroegere signalering, een betere aansluiting tussen PO en VO en meer erkenning voor het probleem: het zijn terugkerende onderwerpen tijdens deze middag. ‘Het is goed dat we het thema hoogbegaafdheid op de kaart hebben gezet,’ zegt Frits Otto, directeur van het Samenwerkingsverband VO.  ‘Deze bijeenkomst moet zeker een vervolg krijgen. Het is belangrijk dat we samen stappen ondernemen om hoogbegaafde leerlingen de ondersteuning te bieden die ze nodig hebben.’

16 december 2015