‘Ieder kind heeft recht op perspectief.’

Interview met Frits Otto, (bijna) gepensioneerd directeur van het SWV VO Amsterdam-Diemen

Vijfenveertig jaar geleden begon Frits Otto als leerkracht in wat we toen het ‘buitengewoon onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden’ (LOM) noemden. Daarna heeft hij de groep kinderen die extra ondersteuning nodig hebben nooit meer losgelaten: ‘Ik heb van meet af aan affectie gevoeld voor kinderen en jongeren bij wie het allemaal niet vanzelf gaat.’ Begin jaren ’80 werd Frits gevraagd vanuit het speciaal onderwijs een samenwerkingsverband op te zetten met vier à vijf reguliere VO-scholen Het doel was kennisoverdracht tussen speciaal en regulier onderwijs tot stand te brengen. Inmiddels is hij de langstzittende directeur van een samenwerkingsverband in Nederland. Binnenkort gaat hij met pensioen.

Frits Otto staat bekend als de verbindende kracht van het passend onderwijs die intensieve samenwerking tot stand bracht tussen verschillende organisaties en sectoren in Amsterdam. Met een scherp oog voor wat nodig was zette hij diverse nieuwe ontwikkelingen in gang en maakte hij het SWV tot wat het nu is. Niet voor niets wordt Frits de ‘nestor’ of ‘onderkoning’ van het Amsterdamse onderwijs genoemd, maar zelf wuift hij die benamingen weg: ‘Je doet het samen.’

Hoe kwam dat eerste samenwerkingsverband voor VSO-scholen tot stand?
Ik gaf begin jaren ‘80 les op de Prof. Dr. Casimirschool voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden De gemeentelijke inspectie voor buitengewoon onderwijs vroeg mij toen om een samenwerkingsverband op te zetten voor VSO en VO-scholen en daar (eerst parttime) coördinator van te zijn. Het was aanvankelijk een pilot van drie jaar die werd gefinancierd door de overheid. Toen ben ik scholen gaan benaderen om zich aan te sluiten en gemeenschappelijke doelen te formuleren. In het begin waren dat nog maar vijf scholen. In 1998 ontstond door een stelselwijziging het vmbo met verschillende leerwegen. De VSO-LOM-scholen werden opgeheven; ik heb me er toen sterk voor gemaakt die voorzieningen in het onderwijsaanbod te behouden. In plaats van de LOM-school kwam de tussenvoorziening: kleinschalig onderwijs met een speciaal karakter. Er kwam ook praktijkonderwijs en aan het Amsterdamse vmbo werd leerwegondersteuning toegevoegd.

Het speciaal onderwijs was vóór ‘98 de ver-van-mijn-bedshow.

Voor het reguliere onderwijs is het speciaal onderwijs lange tijd de ver-van-mijn-bedshow geweest; het waren gescheiden werelden. Maar met de aansluiting van het vmbo en speciaal onderwijs bij een samenwerkingsverband kwam daar verandering in. Later werden ook havo en vwo verplicht zich bij een samenwerkingsverband aan te sluiten.

Wat betekende de invoering van de Wet passend onderwijs in augustus 2014 voor het Amsterdamse SWV?
Die ingangsdatum was voor ons niet het begin van iets nieuws. Wij hadden in Amsterdam het onderwijs al jaren eerder passend ingericht, dus er waren al tal van voorzieningen en afspraken, zoals de transferia, schoolmaatschappelijk werk, het OnderwijsSchakelLoket, de tussenvoorziening en het schoolwisselaarsconvenant. Die waren tot stand gekomen in regelmatig overleg met schooldirecteuren en zorgcoördinatoren, en andere netwerken waarin we ideeën uitwisselden. Als zo’n idee gestalte had gekregen en goed functioneerde, rolden we het verder uit over de stad.

Jij was de drijvende kracht die ervoor zorgde dat die netwerken en samenwerking ontstonden en dat die voorzieningen er kwamen.
Dat is te veel eer, het komt niet alleen uit mijn brein. Er was een stuurgroep van mensen die samen nadachten, het is een wisselwerking, zoiets kun je niet in je eentje. Je kunt misschien wel zeggen dat ik een goede neus heb om juiste mensen om me heen te verzamelen en aan me te binden. Samen kwamen we tot goede ideeën en ik was in de positie om te faciliteren en te coördineren.                     

Als het echt goede ideeën zijn, krijg je regelvrijheid om dingen
te organiseren.

Je hebt ook wel onorthodoxe maatregelen moeten nemen om te zorgen dat een bepaalde voorziening van de grond kwam.
Het Lieverdje is niet toevallig ons beeldmerk. Het symboliseert dat je soms ijzerenheinig tegen de verdrukking in moet doorzetten, ook als je daarvoor moet aanschuren tegen wet- en regelgeving. Als het echt goede ideeën zijn, zo hebben we ervaren, krijg je regelvrijheid om dingen te organiseren. Zo is het gegaan bij de inrichting van de transferia en de leer-werktrajecten in het vmbo. Ook School2Care is ‘andersom’ tot stand gekomen. Dat is een voorziening die zijn plaats vindt tussen een gesloten inrichting en speciaal onderwijs, bestemd voor een ingewikkelde doelgroep en met schooltijden van 8 tot 8. Om die voorziening te realiseren en gefinancierd te krijgen was samenwerking nodig tussen de gemeente, jeugdzorg en het speciaal onderwijs. Op een bepaald moment, nu vijf jaar geleden, spraken we met elkaar af: ‘We gaan het nu doen. Intussen is het een structurele voorziening waar we trots op kunnen zijn in het Amsterdamse en kort geleden ontving School2Care zelfs de onderwijsprijs. Het is leuk als het uitwerken van een goed idee zo succesvol blijkt te zijn en zelfs wordt overgenomen door andere samenwerkingsverbanden in het land, soms onder dezelfde naam.                       

Bied deze jongeren perspectiefrijke trajecten aan, als volwaardig
alternatief voor de startkwalificatie.               
          
         

Er is heel veel bereikt. Welke groepen verdienen nog extra aandacht?
Het SWV heeft nu de pioniersjaren achter de rug, maar dat wil niet zeggen dat we op onze lauweren kunnen rusten. Het kan altijd beter en efficiënter en er zijn nog genoeg doelgroepen waarvan ik zeg: daar kan wel een onsje meer bij. Bijvoorbeeld de jongeren die het mbo niet aankunnen en dus geen startkwalificatie kunnen halen. Ze zijn leerplichtig, maar nog geen achttien, er is dus is een risico dat zij voortijdig schoolverlater worden. Daarom wordt deze groep aangeduid met de wat ongelukkig gekozen term ‘kwetsbare jongeren’. Haal dat etiket er maar liever af, maar erken wel dat ze een andere manier van leren hebben en pas de leeromgeving aan hun competenties aan. Stop ze dus niet in een klaslokaal, want dan gooi je het kind met het badwater weg. Bied deze jongeren perspectiefrijke trajecten aan - mét een vorm van baangarantie - die gelden als volwaardig alternatief voor de startkwalificatie. Zij hebben net als ieder ander kind recht op perspectief en daar moeten we vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor zorgen.

Hoe?
Er zijn nu wel veel goede initiatieven voor deze groep jongeren, geïnitieerd vanuit verschillende instanties, maar het ontbreekt aan afgestemd beleid. Er is daardoor ook geen garantie voor continuïteit. Als oplossing zie ik een joint venture van het bedrijfsleven, de ROC’s en het samenwerkingsverband. Zij kunnen gezamenlijk branchegerichte certificaten aanbieden, met landelijke validiteit, waar die jongeren mee aan het werk kunnen komen. Maar tot op dit moment is het nog niet gelukt om hier vorm aan te geven.

Maar dan gaat het toch gewoon een keer gebeuren, net als bij School2Care?
We zijn inderdaad op zoek naar mogelijkheden om het te gaan doen. Mouwen opstropen, alle goede initiatieven bij elkaar en daar beleid voor maken. Dat het nog niet voor elkaar is, valt niemand te verwijten, maar het moet gewoon ergens beginnen en daarna moet het worden ingebed in gezamenlijk gedragen beleid. En het kàn. Zeker als je een flinke groep leerlingen hebt. Dat hebben we gezien toen we met de ROC’s afspraken maakten over het aanbieden van mbo-1 niveau binnen het laatste jaar van het praktijkonderwijs.                                                                                           

Het is een rijpingsproces.

Hoe komt zo’n plan voor vernieuwing tot stand? Wat is jouw rol daarin?
Er ontstaat iets van een gedachte. Ik laat een proefballonnetje op en daar denkt ieder voor zich over na. Er gaat wat tijd overheen, je praat en spart met elkaar en na een tijdje zet je het op de agenda. Er zijn veel puzzelstukjes en ze liggen op verschillende tafels, maar op een dag is het zo ver, dan kan de puzzel gelegd worden. Het is een kwestie van aanvoelen; ook timing is een belangrijke factor want het is een rijpingsproces. De meeste veranderingen zijn op deze manier tot stand gekomen.

Jouw stijl van leidinggeven is: ruimte geven, niets dichttimmeren?
Ik zet dat niet in als bewust gekozen managementinstrument en dat rijpingsproces stuur ik niet, maar die werkwijze levert wel veel op. Ik kijk en luister altijd heel goed naar reacties. Vaak blijken mensen het onderwerp of idee meegenomen te hebben naar hun eigen achterbannen. Wanneer zo’n plan van de grond gekomen is, blijven we doorlopend reflecteren, zowel binnen het samenwerkingsverband als daarbuiten met de verschillende schooldirecteuren, zorgcoördinatoren en ketenpartners. Doen we het wel goed? Zijn we kritisch genoeg? Continueren we geen dingen op de automatische piloot? Zo houden we elkaar scherp en dat is een belangrijk onderdeel van onze werkwijze.

Hoe sta je tegenover het met pensioen gaan?
Het is werk dat ik nog wel twintig jaar zou willen doen, daar heb ik nooit een geheim van gemaakt. Maar je moet reëel blijven: er is ook een tijd van gaan. Dat is niet gemakkelijk, maar dat proces heb ik al doorlopen. Wat helpt, is dat ik het uitstekend kan vinden met Ariëlle de Ruijter, mijn opvolgster. Ze past goed bij ons, bij het SWV. Sinds zij op 1 maart is aangetreden ben ik bezig mijn werk geleidelijk aan haar over te dragen. We vinden het allebei heel prettig – en een luxe - dat we daar de tijd voor gekregen hebben. Ik introduceer Ariëlle in mijn netwerk, we gaan samen naar overleg en ik draag dossiers en de mailbox aan haar over. Het gaat in een prettige sfeer en er wordt veel gelachen.

Wat ga je na je pensionering doen?
Eerst met vakantie, uitrusten en nadenken. Ik ga niet actief op zoek naar iets nieuws en wil me ook niet binden, want de vrijheid die meekomt met mijn pensionering vind ik heel aantrekkelijk. Misschien ga ik mijn zoon helpen; hij wil op Curaçao en Sint Maarten onderwijsvoorzieningen ondersteunen. Ik ga ook wat meer tijd besteden aan mijn kleinkinderen. Over advieswerk ga ik pas nadenken als de vraag zich voordoet.

Je uitgebreide kennis, al die ervaringen, moeten die niet eens worden opgeschreven?
Misschien wel. Ik heb zelf ervaren dat je historisch besef nodig hebt in dit werk. Waarom is iets zoals het is? Wat is de ontstaansgeschiedenis ervan? Wat voor ontwikkeling heeft het doorgemaakt? Die kennis kan behulpzaam zijn.

Uiteindelijk gaat het om dat individuele kind voor wie je
het verschil kunt maken.

Hoe zwaai je af?
Heel tevreden. Het is de mooiste onderwijsbaan van Nederland die me elke dag is blijven boeien. Ik heb beleid kunnen maken en ik heb op alle niveaus gewerkt: met ouders, leerlingen, zorgcoördinatoren, bestuurders en beleidsambtenaren. Ik heb steeds contact gehouden met elke laag, maar uiteindelijk gaat het om dat individuele kind, die individuele jongere, of ouder, voor wie ik het verschil heb kunnen maken. Soms met één telefoontje. Het is mooi als je voor iemand dat kastje en die muur kunt slechten.

27 maart 2017