Interview met Hans Kruijssen, projectleider van de Amsterdamse thuiszittersaanpak

Hans Kruijssen is sinds 2007 werkzaam als zelfstandig adviseur voor onderwijs, jeugdhulp en overheid. Hij is initiator en voorzitter van het stedelijke Doorbraakoverleg en bedenker van het OnderwijsSchakelLoket, de transferia en de time-outprojecten van het Samenwerkings- verband. Als projectleider van de Amsterdamse thuiszittersaanpak ontwikkelde hij een projectplan om het aantal thuiszitters in de stad in de komende jaren terug te dringen met ten minste 75%. Sleutelwoorden zijn: samenwerking en afstemming, heldere rol- en taakverdeling, eenduidig registreren, en sneller signaleren en handelen. De activiteiten die uit het projectplan voortkomen, zijn onderwerp van dit gesprek.

Hoe verhouden de G4-thuiszittersaanpak en de Amsterdamse thuiszittersaanpak zich tot elkaar?
Het Amsterdamse plan bevat alle afspraken die in G4-verband (Utrecht, Den Haag, Rotterdam en Amsterdam) zijn gemaakt en is daarnaast uitgebreid met een aantal thema’s die specifiek zijn voor Amsterdam, zoals het Doorbraakoverleg. Daarin bespreken vertegenwoordigers van 12 organisaties al sinds 2011 jongeren die op de een of andere manier zijn vastgelopen om te zorgen dat ze weer naar school gaan.

Samenwerking tussen verschillende organisaties is een
absolute voorwaarde voor succes.

We hebben een landelijk Thuiszitterspact en de Thuiszitterstop, de voorlopersaanpak van de G4, en een Amsterdamse aanpak. Kun je die verhoogde activiteit en bereidheid tot samenwerken verklaren? Zijn er meer thuiszitters dan ooit, of speelt er iets anders?
Of er nu meer thuiszitters zijn dan vroeger, weten we eigenlijk niet precies. Er zijn geen betrouwbare cijfers, doordat we verzuim niet allemaal op dezelfde manier registreren en er niet dezelfde begrippen voor gebruiken. Dat is dus een van de eerste dingen die we nu met elkaar gaan aanpakken, ook in G4-verband.
Voor de thuiszittersproblematiek is al veel langer politieke aandacht, maar kennelijk is nu het moment aangebroken om hier extra aandacht aan te besteden. Ik denk dat dat door verschillende factoren wordt veroorzaakt. Om te beginnen heeft de decentralisatie van de jeugdzorg - van het Rijk naar de gemeenten - de mogelijkheden verruimd om lokaal regie te voeren op de samenwerking tussen jeugdhulp en het onderwijs. Bovendien kregen de samenwerkingsverbanden door de invoering van de Wet Passend Onderwijs een verbindende rol én medeverantwoordelijkheid voor het aantal thuiszitters: zij moeten daar elk kwartaal aan de inspectie over rapporteren. Je ziet daarnaast in de zorg een toenemend besef dat onderwijs heel belangrijk en normaliserend is in het leven van kinderen en jongeren; thuiszitten kan een kind depressief maken. Ook ouders spelen een belangrijke rol: zij zijn veel beter georganiseerd en geïnformeerd dan zo’n tien jaar geleden en eisen nu veel vaker een passende plek voor hun kind op een school of een andere vorm van maatwerk. Verder kun je in het algemeen zeggen dat we ons meer dan ooit realiseren dat thuiszitten een groot maatschappelijk probleem is. En met het toenemen van de complexheid van de samenleving is ook het besef groter geworden dat de verschillende sectoren en organisaties elkaar nodig hebben om ingewikkelde problemen op te lossen. Dat geldt dus ook voor de thuiszittersproblematiek: intensieve samenwerking tussen scholen, samenwerkingsverbanden, GGD, jeugdhulp, jeugdbescherming en Leerplicht is een absolute voorwaarde voor het terugdringen van het aantal niet-schoolgaande leerplichtige kinderen.

In het Doorbraakoverleg zijn al organisaties vertegenwoordigd. Volgens je activiteitenplan wordt dat overleg doorontwikkeld. Wat betekent dat precies?
Het Doorbraakoverleg werd zes jaar geleden opgericht, het werd dus tijd voor reflectie en herijking: doen we de goede dingen en doen we de dingen goed? Dit heeft tot het opstellen van een handboek geleid waarin de werkwijze en werkprocessen zijn vastgelegd. Daarnaast is de organisatorische inbedding beter geregeld: het Doorbraakoverleg heeft sinds kort een stuurgroep, bestaande uit de gemeentelijke hoofden Jeugd en Onderwijs en de directeuren van de samenwerkingsverbanden voor PO en VO. Ook is er nu periodiek bestuurlijk overleg waar alle bestuurders van de deelnemende organisaties en de wethouder onderwijs en jeugd van de gemeente aan deelnemen. Tijdens de eerste bijeenkomst in november 2016, is het Handboek formeel/bestuurlijk bekrachtigd. Het Doorbraakoverleg heeft daardoor bestuurlijke dekking, en daarmee meer gewicht en bekendheid gekregen.

                        De thuiszittersproblematiek is een veelkoppig monster.

De ambitie van de G4 en Amsterdam is dat geen kind in 2020 meer langer dan drie maanden thuiszit zonder een passend onderwijs en/of zorgaanbod. Kun je dat zorgaanbod toelichten?
De thuiszittersproblematiek is een veelkoppig monster, thuiszitters hebben uiteenlopende problemen en een deel daarvan zit in psychiatrische hoek. Een kind met een psychose of andere ernstige stoornis moet voldoende in balans zijn om aan onderwijs toe te komen. We moeten wat meer out-of-the-box gaan denken en accepteren dat er kinderen zijn die niet elke dag de volle schooltijd aanwezig kúnnen zijn. Dat wil niet zeggen dat die kinderen helemaal geen onderwijs zouden moeten volgen, integendeel. Maar kijk eerst wat er nodig is voor zo’n kind of gezin en maak daar een plan voor in plaats van meteen uit te gaan van onmogelijkheden op basis van wet- en regelgeving. Er zijn vaak maatwerkoplossingen mogelijk, bijvoorbeeld combinaties van onderwijs en zorg. Op het ministerie wordt momenteel volop nagedacht over maatwerk en de verwachting is dat de mogelijkheden daartoe zullen worden verruimd. Niet op grote schaal, niet voor iedereen, maar voor die kinderen die extra zorg en ruimte nodig hebben. Het zou een zegen voor hen zijn, want met een onderwijs-zorgarrangement kunnen ze vaak tóch naar school, al is het maar voor een beperkt aantal uren, om dingen te leren die van belang zijn in de samenleving.

Wanneer is er sprake van thuiszitten? Waar ligt de grens?
Bij thuiszitters maken we onderscheid tussen absoluut verzuim en langdurig relatief verzuim. Van absoluut verzuim is sprake wanneer een kind niet is ingeschreven op een school of onderwijsinstelling. Langdurig relatief verzuim betekent dat een leerling meer dan vier weken niet naar school gaat. Let wel: het gaat hier om ongeoorloofd verzuim; een leerling kan natuurlijk langdurig ziek zijn, maar dat valt hierbuiten. Het absoluut verzuim moet de komende jaren met 75 procent naar beneden; het langdurig relatief verzuim met bijna 100 procent. Maar bij de registratie loop je tegen een paar dingen aan.

Een van de problemen is dat een deel van de thuiszitters niet als zodanig geregistreerd wordt. Zij staan te boek als langdurig ziek, terwijl er twijfels over bestaan of ze werkelijk ziek zijn, of dat er iets anders aan de hand is. In zo’n geval kan Leerplicht niets doen. Maar wie bepaalt of een kind “echt” ziek is? De ouders? De schoolarts van de GGD? Dat moeten we goed met elkaar afspreken. Bij de M@zl-aanpak die in West-Brabant ontwikkeld is, die verschillende scholen in de Amsterdam al toepassen, wordt direct handelend opgetreden. Bij twijfel of het kind werkelijk ziek is, neemt de schoolarts al snel na de ziekmelding contact op met het gezin. Blijkt het toch om ongeoorloofd verzuim te gaan, dan kan Leerplicht alsnog worden ingeschakeld. Die proactieve aanpak geeft een duidelijk signaal aan de ouders, en de leerling merkt dat hij gemist wordt, dat is nooit verkeerd. Wij willen gaan uitzoeken hoe effectief die M@zl-aanpak is en schooldirecteuren ervan overtuigen dat het goed is om ofwel Leerplicht, ofwel de ouder- en kindadviseur, ofwel de schoolarts er snel bij te betrekken als er een vermoeden is van ongeoorloofd verzuim.

Onderwijs in deeltijd, dat moeten we voor bepaalde kinderen
​toch met elkaar kunnen regelen?

Er zijn ook thuiszitters voor wie wel een school beschikbaar is, maar die daar niet aankomen doordat de ouders het afwijzen; zij vinden het geen passend onderwijsaanbod. Vaak gaat het hierbij om verwijzingen naar speciaal onderwijs. Dan ontstaat er een patstelling en liggen verharding, strijd en zelfs dwang op de loer – en het kind zit thuis. Ik vind dat we alles in het werk moeten stellen om die strijd te voorkomen; je moet eerst al het andere geprobeerd hebben voor je “doorzettingsmacht” gebruikt. Dwang is vaak niet effectief, er is een bepaalde mate van motivatie nodig om een verandering te bewerkstelligen. Vergeet niet dat sommige ouders continu geconfronteerd zijn met negatieve feedback vanuit scholen. Het gaat steeds over wat hun kind niet kan, wel zou moeten kunnen, maar nooit zal kunnen - en over wat er in het onderwijs allemaal niet mogelijk is. Sommige ouders raken daar verbitterd van, ze hebben al zes scholen achter de rug en willen extra inzet van zorg voor hun kind. Maar dat vraagt nogal wat en scholen kunnen ook niet alles, die zitten in een keurslijf. Sinds de decentralisatie van de jeugdzorg kan de gemeente hier een rol in spelen, bijvoorbeeld met de inzet van een Pgb waarvan een buddy wordt betaald. Dat is een mooie oplossing voor het kind, de ouders en de school, maar het is wel kostbaar. Daarom zijn we daarnaast op zoek naar andere vormen van maatwerk voor kinderen die extra zorg nodig hebben en/of onmogelijk de volle 25 uur per week onderwijs kunnen volgen. Onderwijs in deeltijd zou voor velen van hen een uitkomst zijn. Dat moeten we toch kunnen regelen met elkaar? Er zijn ook maatwerkoplossingen denkbaar waarin onderwijs deels thuis en deels op school gegeven wordt, al dan niet in combinatie met een zorgarrangement. Ouders denken hierover ook mee. Zij hebben zich goed georganiseerd en beschikken over veel kennis; dat is een goede ontwikkeling.

Hoe ga je het aantal vrijstellingen terugbrengen met 10 procent?
Het aantal vrijstellingen neemt landelijk toe, maar is in Amsterdam sinds tien jaar meer dan gehalveerd. Dat komt doordat we hier uiterst zorgvuldig kijken en onze samenwerkings-verbanden vaak voor een passend aanbod kunnen zorgen. Toch valt er nog meer winst te behalen en dat gaan we nog dit jaar doen.
Vrijstelling wordt verleend aan kinderen die op lichamelijke of psychische gronden niet in staat zijn onderwijs te volgen. Bijvoorbeeld meervoudig gehandicapte kinderen met een lage cognitie. Ons onderwijssysteem biedt veel mogelijkheden voor deze kinderen, denk aan de mytyl- en tyltylschool en de school voor zeer moeilijk lerende kinderen. Toch zijn er ook kinderen die naar een dagcentrum gaan en dus vrijgesteld zijn. Maar waar ligt de scheidslijn? Dat willen we helder krijgen door alle vrijstellingen tegen het licht houden. Ik denk daarnaast dat het bieden van maatwerkoplossingen en het uitbreiden van onderwijs-zorgarrangementen ertoe zal leiden dat er minder vrijstellingen nodig zijn.
Een belangrijke verandering die we - ook landelijk - voor ogen hebben, is dat het Samenwerkingsverband een adviserende rol gaat spelen bij het verlenen van vrijstellingen. Nu nog vragen de ouders vrijstelling aan bij Leerplicht; een onafhankelijke arts of andere deskundige doet het onderzoek en brengt advies uit aan Leerplicht, en Leerplicht besluit. Het Samenwerkingsverband wordt hier nu niet bij betrokken, terwijl juist daar de kennis van alle alternatieve mogelijkheden aanwezig is. Dat is onlogisch. Daarom is nu in Amsterdam het voorstel in voorbereiding dat de arts/deskundige bij de aanvraag van vrijstelling en het formuleren van een advies aan Leerplicht het Samenwerkingsverband betrekt.

Een van de pijlers van de Amsterdamse thuiszittersaanpak is het versterken van de samenwerking tussen de verschillende partijen. Bijvoorbeeld tussen Leerplicht en de samenwerkingsverbanden. Maar die is er toch al?
Zeker, er zit bijvoorbeeld een leerplichtambtenaar in het OnderwijsSchakelLoket, maar diens betrokkenheid willen we intensiveren. Leerplicht en de samenwerkingsverbanden hebben elkaar namelijk heel hard nodig; hun samenwerking is het fundament onder de aanpak van de thuiszittersproblematiek. Ook gaan we de rol- en taakverdeling verhelderen. De belangrijkste taak van Leerplicht is het handhaven van de leerplichtwet; de hoofdtaak van de samenwerkingsverbanden is te zorgen voor voldoende passend aanbod. Maar wie plaatst de leerlingen? Wie besluit daarover? Daar moeten we duidelijke afspraken over maken.                               

                    Overal ligt een laagje stof op.

Je pleit ervoor de preventieve aanpak van scholen en Leerplicht te intensiveren en te faciliteren. Hebben dan nog niet alle scholen daar een actieve rol in?
Dat is op dit moment nog sterk afhankelijk van de zorgcoördinator en de kwaliteit van de signalering en registratie. Alle scholen hebben een verzuimprotocol, maar op welk moment zij contact opnemen met de ouders en Leerplicht verschilt tussen scholen. Er zijn scholen die Leerplicht snel inzetten, maar er zijn er ook die verzuim pas in het zorgoverleg aan de orde stellen. Heeft dat overleg net plaatsgehad, dan kan het wel vier tot zes weken duren voor de leerling besproken wordt en er actie kan worden ondernomen. Dat duurt te lang. Leerplicht zou een centralere en proactieve rol moeten krijgen: signaleren, registreren, interveniëren. Overal ligt een laagje stof op en dat moet eraf, we gaan het een beetje anders doen. We willen de kwaliteit van de uitvoering van de leerplichtwet versterken en de protocollen aanscherpen om tot een eenduidige aanpak te komen. Daarvoor moeten we met elkaar om de tafel. Ook op het niveau van schooldirecties en zorgcoördinatoren moeten we het eens zien te worden over de rol van Leerplicht, over sturing en over het checken van afspraken. Dat is niet in 24 uur geregeld, dit soort ontwikkelingen gaat per centimeter, niet per meter. Maar het belang is groot, want thuiszitten is een maatschappelijk probleem, en dat begint bij die eerste paar dagen ongeoorloofd verzuim. Vanuit preventief oogpunt is het dus verstandig daar hoe dan ook snel actie op te ondernemen. Dat kan op verschillende manieren: via Leerplicht, via de ouder- en kindadviseur die bij de school betrokken is, via de GGD, of via het Samenwerkingsverband.

                                   Er moeten keuzes worden gemaakt bij de verdeling van de koek.

Je wilt de inzet van JGGZ-behandeling en/of andere specialistische jeugdhulp direct mogelijk maken voor kinderen die thuiszitten. Krijgen ze voorrang op de wachtlijsten die er vooral in de JGGZ zijn?
Als kinderen niet meer naar school kunnen door bijvoorbeeld angststoornissen, moet er snel hulp beschikbaar zijn. Bij het bestuurlijk Doorbraakoverleg heeft wethouder Kukenheim zich daarover duidelijk uitgesproken: voor die kinderen moet er direct hulp zijn, óf een second best-alternatief, maar geen uitstel. Dat zou je een voorrangsregeling kunnen noemen. Via het Doorbraakoverleg kunnen we daarvoor een maatwerktafel inschakelen, maar het kan wellicht ook rechtstreeks, dus zonder interventie van de maatwerktafel. Waar het om gaat is dat we bij de Amsterdamse thuiszittersaanpak met elkaar hebben afgesproken dat de hulp aan deze kinderen prioriteit heeft. Maar we weten ook dat de gemeente heeft moeten bezuinigen op jeugdhulp. Er moeten dus keuzes worden gemaakt bij de verdeling van de koek.

Om in patstellingen een doorbraak te kunnen forceren, is doorzettingsmacht nodig. Hoe wordt die georganiseerd?
Het is de vraag of wij in Amsterdam een probleem hebben op dit gebied. Het Samenwerkingsverband-VO kan en mag hier bijvoorbeeld veel. Kinderen die bij de overgang van PO naar VO niet aankomen in het VO werden tot dusver door de directeur van het Samenwerkingsverband-VO over de scholen verdeeld, dus geplaatst, met volledige instemming van de VO-scholen. Daar zijn afspraken over, hoewel ik niet weet of die ook op papier staan. Als dat niet zo is moeten we het dan formaliseren? En wàt moeten we dan precies formaliseren? Dat gaan we uitzoeken.

Via monitoring zal de schoolloopbaan worden gevolgd van PO- en VO-leerlingen die ooit thuiszitter waren. Wat weten we daar nu van?
Weinig tot niets. We hebben nooit bijgehouden of die voormalige thuiszitters een diploma krijgen en wat voor diploma. Wisselen ze één of meer keer van school? Krijgen ze een startkwalificatie en zo ja, bij welke scholen wel of niet? Zijn er scholen die succesvoller zijn in het begeleiden van voormalige thuiszitters dan andere? Dat weten we niet, maar willen we natuurlijk wel graag weten met het oog op beleid.

Hoort daar ook een analyse van de oorzaken van thuiszitten bij?
Nee, die is er wel, we weten dat er diverse oorzaken zijn en die kun je categoriseren. Maar er komt wel een analyse van de casuïstiek in het Doorbraakoverleg. Samen met iemand van het OnderwijsSchakelloket en van Leerplicht gaan we dit schooljaar de dossiers van zo’n vijftig leerlingen analyseren om er achter te komen welke problemen tot het langdurig thuiszitten hebben geleid.

Er zijn naast het Doorbraakoverleg nu diverse initiatieven van scholen en zorgaanbieders die gericht zijn op hulp aan thuiszitters. Die initiatieven wil je inventariseren en afstemmen. Waar wil je naartoe?
Er zijn heel veel goede activiteiten ontwikkeld om niet-schoolgaande leerlingen weer terug naar school te krijgen, zoals het Bascule VO-team, het Team Thuiszitters en het APOZ. Maar ze zijn niet gecoördineerd. We willen in kaart brengen wie wat doet en waartoe én we willen de verschillende initiatieven op elkaar afstemmen, liefst onder regie van het Samenwerkingsverband.

Welke privacygevoelige informatie ketenpartners met elkaar mogen uitwisselen is nog geen uitgemaakte zaak. Hoe gaan jullie dat aanpakken?
Er moet een privacy-convenant komen, net als bij de Top 600, maar dat is ingewikkeld. Wat staat de wet wel en niet toe? We hebben hierbij ondersteuning van juristen nodig. Het is in ontwikkeling.

Het is een indrukwekkende lijst van actiepunten, maar die kunnen natuurlijk niet allemaal tegelijk gerealiseerd worden. Hoe is de planning?
De looptijd van het projectplan is het kalenderjaar 2017. We gaan met volle kracht vooruit en schaken op veel borden tegelijk. Sommige dingen kosten meer tijd dan andere, maar de ambitie is dat we alle actiepunten nog dit jaar als afgerond kunnen beschouwen.

Lees meer over de M@zl-aanpak

27 maart 2017