Een jaar na de wet

Iets meer dan een jaar geleden werd passend onderwijs ingevoerd. Hoe staan we er nu voor? Wat gaat er goed en wat kan beter? Frits Otto (directeur) en Ruth Kervezee (voorzitter) van het Samenwerkingsverband VO blikken terug én kijken vooruit.

‘Passend onderwijs is nog lang niet passend’, kopten de kranten een paar weken geleden. Er waren kritische geluiden te horen over een gebrek aan ondersteuning voor leerlingen en een toegenomen werkdruk voor docenten. Hoe zit dat in Amsterdam?
Frits Otto: ‘Hier was de invoering van passend onderwijs voor docenten minder ingrijpend dan op veel andere plekken in het land. In Amsterdam waren we al langer bezig het onderwijs passend te maken. De deelname aan het speciaal onderwijs was daardoor al relatief laag en we hoefden niet te bezuinigen. Bovendien hebben we hier veel bovenschoolse voorzieningen, waar leerlingen tijdelijk terecht kunnen als het in het reguliere onderwijs even niet meer gaat. Met de invoering van passend onderwijs is er voor het Amsterdamse VO dus niet zo veel veranderd; eigenlijk gaan we gewoon rustig door met waar we mee bezig waren.’

Het gaat dus goed in Amsterdam. Maar wat kan er beter?
Ruth Kervezee: ‘Van alles, dat realiseren we ons goed. Het streven is dat leerlingen op een VO-school starten en daar ook hun diploma halen. Ons voornaamste huiswerk is ervoor te zorgen dat er straks minder thuiszitters en voortijdig schoolverlaters zijn. Dat is van groot belang. Daarnaast willen we bijvoorbeeld zorgen voor een betere afstemming met het primair onderwijs.’
FO: ‘Waar we ook aan gaan werken, is verdere professionalisering en betere ondersteuning van de docent in de klas. Leraren worden nu ondersteund door de zorgcoördinator en ouder- en kindadviseur (OKA), maar daar gaan we de begeleider passend onderwijs (BPO) aan toevoegen. Dat past bij onze visie: als je de zorgstructuur binnen de school versterkt, hoeven er minder jongeren naar het speciaal onderwijs en de bovenschoolse voorzieningen.’
RK: ‘Een ander belangrijk punt is dat het onderwijs meer verbinding zou moeten zoeken met ouders. Dat is niet altijd eenvoudig, want sommige ouders zijn maar moeilijk de school in te krijgen. Maar het is van belang dat scholen juist in die categorie ouders extra gaan investeren. We hebben ze nu eenmaal ontzettend hard nodig: het succes van leerlingen op school wordt grotendeels door de ouders bepaald, weten we uit onderzoek.’

Wat zijn jullie ambities voor de toekomst?
RK: ‘We streven ernaar het niveau van de Amsterdamse basisondersteuning nog verder te verhogen. Die ondersteuning omvat nu al meer dan wat volgens de landelijke standaard vereist is; Amsterdamse VO-scholen moeten bijvoorbeeld ook kunnen omgaan met alcohol- en drugsgebruik. We leggen de lat dus hoog, maar in een grote stad als Amsterdam is dat ook nodig. Dit jaar is het tijd om te evalueren: halen we die standaard, en zo ja, wat kunnen we dan nog meer doen?’
FO: ‘En verder is onze belangrijkste ambitie natuurlijk dat leerlingen zich happy voelen in het Amsterdamse onderwijs. We moeten het zo inrichten dat iedere leerling zich welkom voelt, ook degenen met extra bagage. In veel gevallen gaat dat nu al goed, maar het kan beter. Dus scholen, neem je verantwoordelijkheid. Kijk of je jongeren echt geboden hebt waar ze recht op hebben.’ 


21 september 2015